De Koran lezen
Arabische tekst, vertaling en recitatie per aya.
المُدَّثِّرِ
Al-Muddaththir · Juz 29 · Pagina 577
Hamzat wasl
Madd (normaal)
Madd (verplicht)
Madd (toegestaan)
Qalqalah
Ghunnah
Idghaam
Stille letter
٤٨
فَمَا تَنفَعُهُمْ شَفَـٰعَةُ ٱلشَّـٰفِعِينَ٤٨
Maar de voorspraak van de bemiddelaars zal voor hen geen nut hebben.
٤٩
فَمَا لَهُمْ عَنِ ٱلتَّذْكِرَةِ مُعْرِضِينَ٤٩
Wat is er dan met hen dat zij zich van de vermaning afwenden?
٥٠
كَأَنَّهُمْ حُمُرٌ مُّسْتَنفِرَةٌ٥٠
Alsof zij opgeschrikte ezels zijn
٥١
فَرَّتْ مِن قَسْوَرَةِۭ٥١
die voor een leeuw vluchten.
٥٢
بَلْ يُرِيدُ كُلُّ ٱمْرِىٍٕ مِّنْهُمْ أَن يُؤْتَىٰ صُحُفًا مُّنَشَّرَةً٥٢
Maar toch wil een ieder van hen dat hem opengeslagen bladen gegeven worden.
٥٣
كَلَّاۖ بَل لَّا يَخَافُونَ ٱلْأَخِرَةَ٥٣
Ja zeker! Maar zij zijn niet bang voor het hiernamaals.
٥٤
كَلَّآ إِنَّهُۥ تَذْكِرَةٌ٥٤
Ja zeker! Het is een vermaning.
٥٥
فَمَن شَآءَ ذَكَرَهُۥ٥٥
En wie wil denkt daaraan.
٥٦
وَمَا يَذْكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهْلُ ٱلتَّقْوَىٰ وَأَهْلُ ٱلْمَغْفِرَةِ٥٦
Maar zij denken er slechts aan als God het wil. Hem komt het toe gevreesd te worden en Hem komt het toe te vergeven.
◆
القِيَامَةِ
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
◆
١
لَآ أُقْسِمُ بِيَوْمِ ٱلْقِيَـٰمَةِ١
Niet dan? Ik zweer bij de opstandingsdag!
٢
وَلَآ أُقْسِمُ بِٱلنَّفْسِ ٱللَّوَّامَةِ٢
Niet dan? Ik zweer bij de ziel die zichzelf verwijten maakt!
٣
أَيَحْسَبُ ٱلْإِنسَـٰنُ أَلَّن نَّجْمَعَ عِظَامَهُۥ٣
Rekent de mens erop dat Wij zijn beenderen niet bijeen zullen brengen?
٤
بَلَىٰ قَـٰدِرِينَ عَلَىٰٓ أَن نُّسَوِّىَ بَنَانَهُۥ٤
Zeker, Wij zijn in staat om zijn vingertoppen te vormen.
٥
بَلْ يُرِيدُ ٱلْإِنسَـٰنُ لِيَفْجُرَ أَمَامَهُۥ٥
Maar de mens wenst er maar op los te leven.
٦
يَسْــَٔلُ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلْقِيَـٰمَةِ٦
Hij vraagt wanneer de opstandingsdag zal zijn.
٧
فَإِذَا بَرِقَ ٱلْبَصَرُ٧
Wanneer dan de ogen verblind worden
٨
وَخَسَفَ ٱلْقَمَرُ٨
en de maan wordt verduisterd
٩
وَجُمِعَ ٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ٩
en de zon en de maan worden samengevoegd,
١٠
يَقُولُ ٱلْإِنسَـٰنُ يَوْمَئِذٍ أَيْنَ ٱلْمَفَرُّ١٠
op die dag zal de mens zeggen: "Waar is een toevluchtsoord?"
١١
كَلَّا لَا وَزَرَ١١
Welnee, er is geen schuilplaats.
١٢
إِلَىٰ رَبِّكَ يَوْمَئِذٍ ٱلْمُسْتَقَرُّ١٢
Bij jouw Heer is op die dag de verblijfplaats.
١٣
يُنَبَّؤُاْ ٱلْإِنسَـٰنُ يَوْمَئِذِۭ بِمَا قَدَّمَ وَأَخَّرَ١٣
Aan de mensen zal op die dag worden meegedeeld wat zij vroeger en later gedaan hebben.
١٤
بَلِ ٱلْإِنسَـٰنُ عَلَىٰ نَفْسِهِۦ بَصِيرَةٌ١٤
Ja zeker, de mens zal een duidelijk bewijs tegen zichzelf zijn,
١٥
وَلَوْ أَلْقَىٰ مَعَاذِيرَهُۥ١٥
ook al draagt hij zijn verontschuldigingen aan.
١٦
لَا تُحَرِّكْ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِۦٓ١٦
Beweeg niet je tong ermee om je ermee te haasten.
١٧
إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُۥ وَقُرْءَانَهُۥ١٧
Het is Onze taak hem te verzamelen en voor te lezen.
١٨
فَإِذَا قَرَأْنَـٰهُ فَٱتَّبِعْ قُرْءَانَهُۥ١٨
En als Wij hem voorlezen volg dan de voorlezing ervan.
١٩
ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَهُۥ١٩
En dan is het Onze taak hem uiteen te zetten.
Pagina 577 · ٥٧٧