De Koran lezen
Arabische tekst, vertaling en recitatie per aya.
الجِنِّ
Al-Jinn · Juz 29 · Pagina 572
Hamzat wasl
Madd (normaal)
Madd (verplicht)
Madd (toegestaan)
Qalqalah
Ghunnah
Idghaam
Stille letter
◆
الجِنِّ
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
◆
١
قُلْ أُوحِىَ إِلَىَّ أَنَّهُ ٱسْتَمَعَ نَفَرٌ مِّنَ ٱلْجِنِّ فَقَالُوٓاْ إِنَّا سَمِعْنَا قُرْءَانًا عَجَبًا١
Zeg: "Aan mij is geopenbaard dat er een groep djinn geluisterd heeft en dat zij toen zeiden: 'Wij hebben een wonderbaarlijke Koran gehoord
٢
يَهْدِىٓ إِلَى ٱلرُّشْدِ فَـَٔـامَنَّا بِهِۦۖ وَلَن نُّشْرِكَ بِرَبِّنَآ أَحَدًا٢
die naar de rechtschapenheid voert. Wij geloven er dus in en voegen niemand aan onze Heer als metgezel toe.?
٣
وَأَنَّهُۥ تَعَـٰلَىٰ جَدُّ رَبِّنَا مَا ٱتَّخَذَ صَـٰحِبَةً وَلَا وَلَدًا٣
En: 'Verheven is de majesteit van onze Heer. Hij heeft zich geen metgezellin noch een kind genomen.?
٤
وَأَنَّهُۥ كَانَ يَقُولُ سَفِيهُنَا عَلَى ٱللَّهِ شَطَطًا٤
En: 'De dwaas onder ons zegt over God afwijkende dingen.?
٥
وَأَنَّا ظَنَنَّآ أَن لَّن تَقُولَ ٱلْإِنسُ وَٱلْجِنُّ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا٥
En: 'Wij zijn van mening dat mensen noch djinn over God leugens zullen mogen zeggen.?
٦
وَأَنَّهُۥ كَانَ رِجَالٌ مِّنَ ٱلْإِنسِ يَعُوذُونَ بِرِجَالٍ مِّنَ ٱلْجِنِّ فَزَادُوهُمْ رَهَقًا٦
En: 'Er waren mannen van de mensen die hun toevlucht zochten bij mannen van de djinn en zo maakten zij hen kwaadaardiger.?
٧
وَأَنَّهُمْ ظَنُّواْ كَمَا ظَنَنتُمْ أَن لَّن يَبْعَثَ ٱللَّهُ أَحَدًا٧
En: 'Zij dachten evenals jullie dat God niemand zou laten opstaan.?
٨
وَأَنَّا لَمَسْنَا ٱلسَّمَآءَ فَوَجَدْنَـٰهَا مُلِئَتْ حَرَسًا شَدِيدًا وَشُهُبًا٨
En: 'Wij hebben de hemel afgezocht en gemerkt dat hij vol is met strenge wachters en staartsterren.?
٩
وَأَنَّا كُنَّا نَقْعُدُ مِنْهَا مَقَـٰعِدَ لِلسَّمْعِۖ فَمَن يَسْتَمِعِ ٱلْأَنَ يَجِدْ لَهُۥ شِهَابًا رَّصَدًا٩
En: 'Wij zaten er op allerlei plaatsen te luisteren, maar wie nu wil luisteren die vindt een staartster voor hem op de loer liggen.?
١٠
وَأَنَّا لَا نَدْرِىٓ أَشَرٌّ أُرِيدَ بِمَن فِى ٱلْأَرْضِ أَمْ أَرَادَ بِهِمْ رَبُّهُمْ رَشَدًا١٠
En: 'Wij weten niet of er iets slechts wordt beoogd met hen die er op de aarde zijn of dat hun Heer goede levenswandel voor hen beoogt.?
١١
وَأَنَّا مِنَّا ٱلصَّـٰلِحُونَ وَمِنَّا دُونَ ذَٲلِكَۖ كُنَّا طَرَآئِقَ قِدَدًا١١
En: 'Sommigen van ons zijn rechtschapen, maar anderen zijn dat niet; wij gaan gescheiden wegen.?
١٢
وَأَنَّا ظَنَنَّآ أَن لَّن نُّعْجِزَ ٱللَّهَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَن نُّعْجِزَهُۥ هَرَبًا١٢
En: 'Wij zijn van mening dat wij in de aarde God niet kunnen ontkomen en dat wij Hem ook niet door te vluchten kunnen ontkomen.?
١٣
وَأَنَّا لَمَّا سَمِعْنَا ٱلْهُدَىٰٓ ءَامَنَّا بِهِۦۖ فَمَن يُؤْمِنۢ بِرَبِّهِۦ فَلَا يَخَافُ بَخْسًا وَلَا رَهَقًا١٣
En: 'Toen wij de leidraad hoorden geloofden wij erin; en wie in zijn Heer gelooft is voor geweld noch kwaadaardigheid bang.?
Pagina 572 · ٥٧٢